Printvriendelijke versie

Mail het een vriend(in)
 

Behandelingen

Radiotherapie bij longkanker

Wat is radiotherapie?
Radiotherapie maakt gebruik van straling. Deze straling kan röntgenstraling zijn, elektronenstraling of straling door middel van een radioactieve bron. Deze soorten van straling zijn onzichtbaar en laten geen radioactiviteit achter in het lichaam. Radiotherapie is één van de vormen van behandeling van longkanker, naast chirurgie en chemotherapie. Radiotherapie heeft een loco-regionale werking. Dit wil zeggen dat naast het gebied van de tumor ook het aangrenzende weefsel, met name de aangrenzende lymfeknopen, mee wordt bestraald. Het kan dus een groter gebied bestrijken dan de operatie alleen.
De bestraling wordt bijna altijd van buitenaf (uitwendig) gegeven. Op speciale wijze en op bijzondere indicatie kan bestraling ook inwendig in de luchtweg gegeven worden (brachytherapie). Door een dun slangetje, dat in de luchtweg zit, wordt een radioactieve bron geleid, die ter plekke zolang blijft zitten dat daar voldoende straling wordt gegeven. Na de behandeling wordt deze bron verwijderd en blijft ook geen radioactiviteit in het lichaam achter. De behandelingsduur bij radiotherapie is meestal kort, slechts een paar minuten.

Wat doet radiotherapie?

De straling vernietigt de cellen. Naast directe celdood heeft straling ook effect op het erfelijk materiaal van de cel. Door deze genetische schade kan de cel niet meer delen en kan zich niet meer herstellen na opgelopen schade.
De kankercellen zijn gevoeliger voor deze straling dan gezonde cellen. Hierdoor is het mogelijk de kankercellen meer selectief te treffen en de gezonde weefsels te ontzien. In principe zijn alle weefsels die zich snel delen gevoelig voor straling: kwaadaardige cellen, haren, slijmvliezen en het beenmerg. Bij het berekenen van de toe te dienen dosis straling moet rekening gehouden worden met deze weefsels, zodat deze geen onherstelbare schade oplopen.

Wanneer wordt radiotherapie gegeven?
Het doel van de bestraling kan zijn: genezend (curatief), aanvullend bij een andere behandeling (adjuvant) en bestrijden of voorkomen van klachten ten gevolge van de tumor zelf of de uitzaaiingen van de tumor (palliatief).

Bij longkanker wordt radiotherapie met curatieve opzet gegeven als de patiënt niet voor operatie in aanmerking komt, omdat de hart- en/of longfunctie te slecht zijn of omdat de patiënt de operatie weigert. Voor dit doel wordt een hoge dosis straling gegeven op de tumor en worden ook de lymfeknopen bestraald die in het uitstroomgebied liggen van de tumor (de lymfeknopen tussen de beide longen in, en een enkele keer ook die boven het sleutelbeen).
Radiotherapie wordt gegeven bij het stadium IIIA niet-kleincellig longkanker, meestal nadat eerst behandeld is met chemotherapie om te proberen de uitzaaiingen in de lymfeknopen uit te roeien, zodat de radiotherapie meer kans heeft genezend te zijn.

Als adjuvante behandeling wordt radiotherapie gegeven als blijkt dat bij de operatie het sneevlak van de luchtpijp niet tumorvrij is of dat er toch onverwachte uitzaaiingen zitten in de lymfeknopen. Ook wordt radiotherapie als aanvullende behandeling gegeven na de behandeling met chemotherapie bij de beperkte vorm (limited disease) van klein-cellige longkanker. Uit voorzorg wordt tevens het hoofd bestraald, omdat chemotherapie daar minder effectief kan zijn en er een grote kans is, dat na een langere tijd toch nog uitzaaiingen komen in de hersenen.

Palliatieve radiotherapie wordt gegeven daar waar klachten ontstaan of op korte termijn verwacht worden ten gevolge van de tumor zelf of uitzaaiingen. Belangrijke redenen voor deze vorm van bestraling zijn: bloed opgeven (als de tumor niet op een genezende manier behandeld kan worden), pijn in de borstkas of de botten; uitzaaiingen in de hersenen (soms gaat hier een operatie aan vooraf om de uitzaaiing te verwijderen waarna vervolgens radiotherapie gegeven wordt om een langduriger effect te verkrijgen) en vena cava superior syndroom (door de tumor of de lymfeknopen wordt de bovenste holle lichaamsader dicht gedrukt).

Hoe lang is de bestralingsperiode?
De duur van de behandeling is afhankelijk van het doel van de bestraling. Bij een curatieve behandeling zal de periode van bestraling vaak zes weken of meer zijn, waarbij meestal vijf keer per week bestraald wordt. Voor een adjuvante behandeling staat vaak een iets kortere periode. Het is goed dit uitdrukkelijk te vragen aan de behandelende radiotherapeut. De palliatieve behandeling bestaat tegenwoordig meestal uit minder bestralingen. Het is wel goed te realiseren, dat het verzachtende effect (palliatieve effect) niet direct na de bestraling optreedt maar wel even op zich laat wachten.

Wat zijn de bijwerkingen?
Met de huidige technieken zijn de bijwerkingen op de huid duidelijk minder geworden. Echte verbrandingen van de huid komen niet voor. Er kan wel een verkleuring optreden en jeuk doordat de huid tijdelijk droger wordt.

Misselijkheid of braken komen ook niet meer voor. Wel kan een zeker gevoel van moeheid optreden dat na afsluiting van de bestraling meestal na enige tijd weer verdwijnt. Hoe zeker het verdwijnen van de moeheid is, hangt af van de voorafgaande behandelingen en het stadium van de ziekte. Na de chemotherapie kan de vermoeidheid soms toch een probleem blijven.

Tijdens de bestraling kunnen slikklachten optreden. De slokdarm ligt bij de bestraling van een longtumor meestal in het bestralingsveld. Dit is erg vervelend, omdat ook vaak de zin in eten wordt aangetast. Met behulp van verzachtende medicijnen zijn deze klachten meestal redelijk tot goed in de hand te houden. Hoeveel last men ondervindt hangt af van de hoeveelheid bestraling die iemand krijgt, en hoe groot het bestralingsveld is.

In principe kan de bestraling ook effect hebben op de bloedaanmaak, want de aanmaak van bloed heeft plaats in de botten, die door de bestraling ook worden geraakt. Gelukkig is dit nagenoeg nooit een probleem. Het bloedbeeld kan wel voor alle zekerheid worden gecontroleerd, op bepaalde tijdstippen tijdens de bestraling (met name de bestraling met hoge dosis = curatieve bestraling en in combinatie met chemotherapie).

Bij de bestraling van het hoofd volgt bijna altijd een verlies van het hoofdhaar. Na beëindiging van de bestraling komt dit weer terug.
Een enkele keer kan er vocht komen in het hartzakje of vocht tussen de longvliezen. Dit is een reactie op de bestraling. Dit kan onopgemerkt blijven als het geen klachten geeft en verdwijnt na bepaalde tijd weer na beëindigen van de bestraling.
Een stuk van de long dat een hoge dosis van de bestraling ontvangt kan verbindweefselen. Hiertegen is vooralsnog niets te doen. Bij de beoordeling of iemand in aanmerking komt voor bestraling wordt met dit gevolg rekening gehouden.

Kan bestraling zo nodig herhaald worden?
Wanneer een hoge dosis bestraling is gegeven, zoals bij de curatieve opzet, kan dit niet meer herhaald worden op het zelfde gebied in het lichaam. Doet men dit toch dan kunnen andere organen, met name het ruggenmerg, onherstelbare schade oplopen met als gevolg een dwarslaesie. Wel kunnen andere plaatsen van het lichaam nog bestraald worden. In het algemeen kan men stellen dat of iemand nog in aanmerking komt voor een nieuwe bestraling afhankelijk is van de hoeveelheid straling die gegeven is, de lengte van de periode tussen de eerste en mogelijk tweede bestraling en het gebied dat voor bestraling in aanmerking komt.

Wanneer wordt brachytherapie gegeven en wat zijn de bijwerkingen?
Bij longkanker kan brachytherapie om verschillende redenen gegeven worden. Een enkele keer is de longkanker zo klein en beperkt dat het mogelijk is deze tumor met behulp van brachytherapie te genezen. Men zal dit vooral doen als de reserves wat betreft longfunctie zeer gering zijn of dat er op meer plaatsen in de luchtpijp dit soort oppervlakkige tumoren zitten. Meestal wordt brachytherapie gegeven om symptomen van de longkanker te bestrijden. Het kan gaan om hinderlijk bloed ophoesten terwijl uitwendige bestraling niet meer mogelijk is, en om vernauwing van de luchtpijp door de tumor. Met behulp van de brachytherapie lukt vaak om de doorgankelijkheid van de luchtpijp weer te herstellen. Het is palliatieve behandeling, dwz de klachten worden bestreden maar de tumor kan niet geheel uitgeroeid worden. Na ongeveer vijf tot zeven dagen treedt het effect van de behandeling op. De bijwerkingen van de behandeling zelf zijn bloeding door de behandeling. Ook kan op langere termijn bindweefselvorming in de luchtpijp optreden ter plaatse van de behandeling. Wanneer in het verleden diverse behandelingen gegeven zijn, kan soms na langere tijd een zeer ernstige bloeding optreden of een gat in de luchtpijp ontstaan. Meestal is op het zelfde moment ook de tumor weer gegroeid. De meeste bijwerkingen tijdens een behandeling met brachytherapie berusten op de slechte algemene toestand van de patiënt, die een tumor heeft die ver voortgeschreden is.

Uitgebreidere informatie
- www.kwfkankerbestrijding.nl/index.jsp?objectid=14842
folder van KWF Kankerbestrijding over radiotherapie
- www.radiotherapie-eindhoven.nl

Op de site van het Catharina Ziekenhuis Eindhoven uitgebreide informatie over radiotherapie en stereotactische longbestraling.
- www.kankerbestrijding.nl
- www.oncoline.nl
- www.diagnose-kanker.nl/soorten/longkanker.htm

                      © longkanker informatiecentrum 2010 
naar bovennaar bovenkant pagina